www.margakool.nl , alles over de Drentse auteur Marga Kool. Op deze site leest u alles over haar leven en haar werk d.m.v. fragmenten, recensies, artikelen en interviews.
Midprice, 256 blz.
€ 10,00
ISBN 978 90 414 1206 5
BOEREN EN STEDELINGEN
We hadden vroeger thuis een boek over klederdrachten, met daarin grote platen van geschilderde echtparen in klederdracht: op iedere plaat een man, een vrouw, een kind. Als kind zat ik graag te bladeren in dat boek. De klederdrachten van alle vissersplaatsen rond de voormalige Zuiderzee en Noordzee stonden daarin afgebeeld, maar ook de kleding van het binnenland: het knellende oorijzer uit Staphorst, de kneepjesmuts uit Twente. Wijd waaierde het brede kant van de Walcherense muts. Klederdrachten hoorden bij dorpen, zag ik. Er was eigenlijk geen enkele klederdracht van een stad. Ik bekeek vol bewondering het trotse Friese kostuum, de bloedkoralen halskettingen uit Schouwen Duiveland, de feestelijke streepjesstof uit Volendam. Er waren platen van vrouwen in rouw of bruiloftstooi. Sieraden, wonderlijke creaties, geknoopt, gestrikt of met speldjes vastgezet. Kap over onderkapje, rok over onderrok. De tekst ging over rouwdracht en bruiloftstooi, over de symboliek van kleuren en sieraden, over leeftijd en sekse, arm en rijk, getrouwd en ongehuwd.
Het is bijna overal verleden tijd. Alleen in Staphorst houdt ook een flink aantal jongere vrouwen nog trots en zelfbewust hun dracht in ere, maar voor de rest is het bijna overal gedaan. In mijn jeugd zag ik in Twente en Drenthe nog sommige stokoude vrouwen met zwarte enkellange jurken en jakjes en witte kanten mutsen in de kerk zitten, maar geen kind kan zich dat vandaag de dag voorstellen.
‘Wat is dat voor klederdracht, mamma?’vroeg ik als kind toen ik in ons protestantse dorp op een dag twee nonnen in de bus zag zitten, van top tot teen in het wit. Je kon hun gezicht maar nauwelijks zien.
‘Sst’ zei moeder gauw, met een rode kleur. En daarna fluisterde ze: ‘Dat is de klederdracht van God.’
Was klederdracht alleen een kwestie van traditionele kleedgewoontes? Het was meer: het was een openbare manifestatie van unieke eigenheid, van een bijzondere mix van geloof, groepsbesef, cultuurbesef, gemeenschapszin. De klederdrachten zijn door de individualisering en de welvaart weggevaagd. Nee, niet de klederdrachten, maar de reden om die klederdracht te dragen. De stad heeft zich in de dorpen genesteld, en de dorpelingen zijn mét hun platteland verstedelijkt. De boeren zijn geassimileerd, stilletjes. Niet omdat het moest, maar omdat ze het wilden. Als men hen ertoe had gedwongen hadden ze het niet gedaan. Iedere jongere generatie heeft het knellende pak iets verder afgelegd. Het is er saaier door geworden op het platteland. De dorpen zijn eerst allemaal op elkaar gaan lijken en daarna op de stad. Zelfs de ouderwetse hoofddoekjes die mijn moeder en alle buurvrouwen omknoopten als ze naar buiten gingen in de winter, zijn totaal uit het dorpse straatbeeld verdwenen.

Als ik op de televisie het vijandige gezemel aanhoor van sommige politici over hoofddoekjes en burka’s, denk ik vaak even terug aan het klederdrachtenboek van mijn moeder. Het zou geactualiseerd moeten worden, denk ik dan. Bij alle geschilderde platen van Nederlandse klederdracht kan, behalve bij die van Staphorst, een stempel worden gezet: ‘Inmiddels uitgestorven’. En er kan een spiksplinternieuw hoofdstuk aan worden toegevoegd: de klederdracht van onze nieuw Nederlanders. Een bladzijde voor de klederdracht van de Turks-Nederlandse, de Marokkaans-Nederlandse, de Somalisch-Nederlandse familie.

In NRC Handelsblad  van 25 november 2006 las ik een artikel van de Marokkaanse schrijfster Naima El Bezaz. De tekst was gebaseerd op de toespraak die de schrijfster op 17 november hield in Groningen, op het symposium ‘Opvoeden moet’.
In dat artikel beschrijft ze hoe ze als meisje uit een Marokkaanse stad, uit een Arabische familie met westerse levenswijze, moest wennen aan de Berberfamilies die ze in Nederland ineens om zich heen had. Ongeletterde boerenfamilies uit het Rif- en Atlas-gebergte in de stad. Met een totaal andere levenswijze dan zijzelf in Marokko gewend was.
Ja, dacht ik. Dat is wat er is gebeurd. De gegoede Nederlandse stedelingen hebben zich genesteld op het platteland en in forensendorpen en Vinex-wijken. De boeren uit Turkije en Marokko hebben hun plaats overgenomen. Met hun klederdrachten, hun naoberschap, hun familiebanden, hun sterke, zware geloof, hun sociale controle, hun eigen dialect, hun tongval als ze Nederlands spreken. Ze koken uit gastvrijheid grote hoeveelheden, ze slachten een schaap, ze bidden en vieren hun feestdagen, ze houden de vrouwen liefst zoveel mogelijk thuis, ze laten de zorg voor hun zieke ouders niet aan een ander over. Ze slaan hun ogen neer als ze een buitenstaander aanspreken. Ze krijgen moeilijker een baan omdat ze een accent hebben, ze hebben een onderwijsachterstand.
Ze doen ongeveer alles wat wij vijftig jaar geleden deden op ons eigen Nederlandse platteland.
We moeten er maar gauw een boek van maken. Voor je het in de gaten hebt is het allemaal weg. Als wij hen daar tenminste rustig de tijd voor gunnen.

Marga Kool
(Deze column is gepubliceerd in de Staatscourant, dec. 2006)